Waarom dragen?

Beschrijving:

Categorie:
Waarom dragen?

De meeste mensen weten dat je zoogdieren kan onderscheiden in twee categorieën: de nestvlieders en de nestblijvers. Tot welke categorie behoren wij mensen eigenlijk?

Nestvlieders zijn zo goed als ‘af’ bij de geboorte. Ze zien eruit als een miniatuurversie van hun volwassen soortgenoten en kunnen vrijwel meteen na de geboorte op hun poten staan en lopen. Hun zintuigen functioneren optimaal. De melk van nestvliedende zoogdieren is erg rijk aan eiwitten, bedoeld om de jongen snel te helpen groeien zodat ze met de ouders of de kudde meekunnen. Voor een nestvlieder is alleen zijn levensgevaarlijk. Als mama uit het zicht is zal het jong in paniek raken en haar zoeken. Voorbeelden van nestvlieders zijn koeien, paarden, herten en olifanten.

Nestblijvers zijn naakt en volstrekt hulpeloos bij de geboorte. Ze zijn blind, kunnen nog niet lopen en lijken helemaal nog niet op de volwassen versie van hun soort. Hun moeder trekt er lang op uit om eten te zoeken, in eerste instantie voor zichzelf, later ook voor haar jongen. Dat betekent dat de jongen een lange tijd alleen blijven. Om veilig te zijn is het essentieel dat de jongen in het nest blijven en stil zijn, om geen aandacht te trekken van eventuele roofdieren. De melk van nestblijvende zoogdieren heeft een hoog vetgehalte en is dus behoorlijk zwaar verteerbaar zodat de jongen een hele tijd zonder melk kunnen. Voorbeelden van nestblijvers zijn katten, konijnen en muizen.

Deze klassieke indeling van zoogdieren bestaat al sinds de 19 de eeuw. De mens werd van oudsher ingedeeld bij de nestblijvers, wat zich uitte in een typische manier van omgaan met baby’s : kinderen moesten in een eigen bedje liggen, werden bij voorkeur alleen gelaten, en enkel opgepakt voor de hoogst noodzakelijke verzorging: voeden, wassen, luiers verschonen, aan- en uitkleden.

In de loop van de jaren ’70 kwamen wetenschappers echter tot de opmerkelijke vaststelling dat de bekende indeling tussen nestvlieders en nestblijvers niet volstond om alle zoogdieren te klasseren.

Er bleek nog een derde categorie te bestaan: de draaglingen of dragers.

De pasgeboren jongen van een drager lijken op hun ouders, hebben goed functionerende zintuigen zoals de nestvlieders, maar kunnen nog niet lopen en hebben een onrijp zenuwstelsel. Daarom worden ze gedragen. De jongen zijn helemaal ingesteld op de constante fysieke nabijheid van de moeder en slaan instinctief alarm als ze alleen gelaten worden. De moedermelk van dragers is niet zo vet als die van nestblijvers, waardoor hun jongen erg vaak gevoed moeten worden. De melk is ook veel minder eiwitrijk dan die van de nestvlieders, waardoor hun jongen minder snel groeien. Wel bevat de melk vrij veel koolhydraten, om zo de hersenen snel te laten rijpen. Voorbeelden van dragers zijn primaten zoals alle apen, de buideldieren (waaronder de kangoeroe), en dus ook de mens.

Hoe kunnen we nu met zekerheid weten dat mensen tot de categorie van de dragers behoren? Dat blijkt uit een aantal specifieke kenmerken die we gemeen hebben met de andere dragende zoogdieren, zowel op het vlak van uiterlijke kenmerken, als op het vlak van reflexen, zoals de aangeboren grijpreflexen van een baby om zich aan de ouder vast te klampen tijdens het dragen, het instinctief alarm slaan (wapperen met de armen, huilen) wanneer ze alleen worden gelaten. Ook de samenstelling van de moedermelk zegt heel wat over wat een mensenbaby nodig heeft: mensenmelk is vrij vetarm, wat betekent dat vaak voeden heel normaal is.

CONCLUSIE:  Gedragen worden en fysiek contact zijn aangeboren basisbehoeften van mensenkinderen.

Tegemoetkomen aan deze biologische behoeften heeft niets te maken met verwennen, maar alles met het begrijpen van de ware natuur van de mens, van het mensenkind.